Fruit zijn eetbare vruchten of zaden van bepaalde meerjarige planten (meestal struiken of bomen) die rauw worden gegeten of tot levensmiddelen worden verwerkt.
Ze bevatten meestal veel water, vitaminen, mineralen en vruchtensuiker en smaken zoet of zuur.
Botanische en alledaagse betekenis
Botanisch gezien zijn fruitvruchten de rijpe vruchtstanden van planten die na de bloei ontstaan.
In de omgangstaal maakt men onderscheid tussen fruit en groente:
Fruit groeit aan meerjarige planten (bijv. appelboom, aardbeienplant).
Groente komt meestal van eenjarige of tweejarige planten (bijv. wortel, sla).
Voorbeelden van fruitsoorten
Steenfruit: kers, perzik, pruim
Pitfruit: appel, peer
Bessenfruit: aardbei, framboos, aalbes
Citrusvruchten: sinaasappel, citroen, mandarijn
Tropisch fruit: banaan, ananas, mango
Woordherkomst
Het woord „fruit“ komt van het Middelhoogduitse obez of obest, wat oorspronkelijk „vruchten“ of „opbrengst“ betekende.